Opstand van de Homo Ludens

Ervaring leert dat het gezicht van de revolutie geen variant is van een bekend gezicht, maar dat een werkelijk spel bedreven wordt met normen, gewoonten en associaties, een spel dat kan variëren van woordspeling tot de omkering – het détournement – van symbolen, van cultuurvormen, van denkwijzen, losgemaakt uit hun traditionele context. Door zich niet langer te houden aan de regels van het spel, regels die vanzelfsprekend door de ‘establishment’ gedicteerd zijn.

De geëxalteerde machine-haat van William Morris was een van de eerste symptomen van een negativisme dat sindsdien de kunstenaars niet, of bij uitzondering, heeft verlaten. Het is niet toevallig dat het eerste kunstenaarsprotest tegen de machine in Engeland wordt gehoord, het land immers waar de mechanisering het eerst wordt doorgevoerd. Terwijl in het industrieel achterblijvende Frankrijk de kunstenaars verpauperen in een a-sociale ‘bohème’, bloeit onder de rook van de Engelse fabriekssteden de ‘arts and crafts’-beweging op, een postume hulde aan het handwerk, een demonstratie van minachting voor de opkomende machine.

De surrealisten waren hun tijd vooruit. Zij waren de eersten die begrepen dat het leefbaarder maken van de wereld niet alleen betekende het materiele levenspeil verhogen, maar dat daarmee samenhing een verschuiving van de levensactiviteit naar een hoger niveau. Lang voordat er van een vrijmaking van de levenstijd door automatie sprake was, hebben de surrealisten voorvoeld dat het creatieve wezen dat in iedere mens sluimert zou ontwaken. Leven betekent: creatief zijn, dat wil zeggen al het bestaande omvormen en veranderen. De creativiteit zoals die zich in voorgaande culturen heeft kenbaar gemaakt is slechts een onvolledige en geremde creativiteit omdat de verandering van het bestaande slechts voor weinigen en dan nog op een beperkte schaal mogelijk was. De mechanisering leidt het tijdperk in waarin de mens meer dan ooit tevoren over de natuur zal heersen en waarin het hem mogelijk zal worden de wereld naar zijn wensen, naar zijn beeld te vormen. De creativiteit van de toekomst zal daarom meer direct op het leven zelf, op de dagelijkse levenspraktijk betrekking hebben, die dan ontbonden zal zijn van de strijd om het bestaan.

Cobra: In het besef dat een werkelijk nieuwe cultuur voorlopig niet te realiseren zou zijn, verkoos men het experiment als uitwijkmanouvre. Wij zien een organische experimentele samenwerking die alle steriele en dogmatische theorie uit de weg gaat. Zij erkennen dat hun sociale rol is uitgespeeld. Zij willen een werkgroep zijn en geen strijdgroep, zoals de avant-garde was. Deze houding is in ieder geval reëel. De kunstenaars van de Cobra zagen in, dat hun sociale positie hun geen recht gaf op de pretentie een sociale voorhoede te zijn.

In plaats van de voorbije individuele kunsten propageren de situationisten het ‘unitair urbanisme’, een hypothetische conceptie, van de artificiële levensomgeving als een nieuw medium voor een komende collectieve creativiteit. Het is voor de eerste keer dat de leuze ‘la poésie doit etre faite par tous’ een practicabele betekenis krijgt.

De mechanisering en automatisering van de arbeid ontlast de mens geleidelijk van het juk waaronder hij sinds de prehistorie gebukt is gegaan: de noodzaak tot produceren onder de pressie van een altijd dreigende materiële dood. De productiviteit vertoont een voortdurende stijging in de industrielanden, ondanks het feit dat de arbeidstijd afneemt. De vrijheid echter die hiervan het logische gevolg zou moeten zijn kan in de heersende omstandigheden niet gerealiseerd worden. Zij is in tegenspraak zowel met de organisatie als met de moraal van de maatschappij. Deze maatschappij zit met de automatie in haar maag. Op alle mogelijke manieren probeert men te verhelen dat men een paard van Troje binnengehaald heeft, in alle bochten wringt men zich om de openbaring van de werkelijkheid zolang mogelijk uit te stellen. De uitschakeling van de mens als productiefactor is echter de onverbiddelijke consequentie van het op gang zijnde proces. En daaruit volgt dat de gehele superstructuur van de utilitaristische maatschappij op losse schroeven komt te staan. De homo ludens, die in ieder mens sluimert, is ontwaakt.

Wanneer er wordt geoordeeld over de wijze waarop een mens zijn tijd doorbrengt, dan is het de gewoonte de arbeid daarbij als maatstaf te nemen. Men gaat ervan uit dat de mens aan het leven een ‘zin’ moet geven en dat die zin gelegen is in het nut dat zijn activiteiten voor de maatschappij hebben.

Creatief wordt de mens alleen daar, waar die strijd om het bestaan op de achtergrond geraakt. Niet de werkende mens, niet de slavende zwoeger is cultuurdrager, maar alleen hij die zich aan de strijd om het bestaan kan onttrekken.

We kunnen vaststellen dat de vrije tijd van de arbeider groter wordt. Zijn paradijs behoeft niet langer naar de droom, naar het hiernamaals verschoven te worden, hij is in de gelegenheid het hier en nu te realiseren. Ieder zal aan de cultuur van het arbeidsvrije tijdperk deel kunnen hebben, ieder mens zal zich kunnen manifesteren als een scheppend wezen, iedereen zal kunstenaar – levenskunstenaar – kunnen zijn. De schepper en vormgever van zijn eigen leven.

 

Constant, 1969

 

 


facebooktwitterfacebooktwitter

Weesbeeld.nl