JOKE VAN DER ZWAARD, onderzoeker/schrijver en oprichter Leeszaal

Joke-van-der-Zwaard2Joke van der Zwaard is zelfstandig onderzoeker/schrijver en publiceerde onder meer over rondkomen, vooruitkomen en samenleven in stadswijken. Samen met filosoof Maurice Specht en de bewoners van de Rotterdamse wijk het Oude Westen richtte zij Leeszaal Rotterdam West op. Een mooie publieke ontmoetingsplek aan het Rijnhoutplein, waar taal, literatuur, verbeelding en participatie een grote rol spelen. Weesbeeld.nl heeft interesse in de plaats die de Leeszaal in de wijk en de levens van wijkbewoners heeft en zocht Joke op in de Leeszaal; een kleurrijke plek waar mensen komen en gaan en waar Joke zich zichtbaar thuis voelt; waar ze tussen de bedrijven door ook mensen verwelkomt, mensen helpt met formulieren invullen en binnenvallende kinderen te woord staat

at maakt de Leeszaal tot het succes dat het nu is?

‘Eén van de basisprincipes van de Leeszaal is kwaliteit. Zo is er geïnvesteerd in vakmanschap en specialisme; van interieur tot koffie/thee en de leescollectie. Ook de diversiteit is belangrijk; dat we vanaf het begin af aan zijn gestart met mensen vanuit allerlei soorten achtergronden en niet vanuit onze eigen wetenschapperskring.

De eerste vrijwilligersgroep bestond uit 15 mannen en 35 vrouwen met elf verschillende geboortelanden. De leeftijden varieerden van 15 tot 85 jaar. Het opleidingsniveau van een paar jaar basisonderwijs tot en met gepromoveerde wetenschappers, de twee initiatiefnemers. […]

Voor het (samen)werken in de Leeszaal kunnen nog tal van andere levenservaringen ertoe doen, zoals ervaring met het leven in Nederland, met zelforganisaties, met het werken in een heterogene groep mensen, het runnen van een huishouden of een andere onderneming en het grootbrengen van kinderen. [1]

‘Iedereen die hier iets wil kan zich aanmelden; over het algemeen zeggen we heel veel ‘ja’. Maar het programma moet wel in de Leeszaal passen. In het begin kregen we heel veel vragen, omdat allerlei openbare voorzieningen werden gesloten; de bibliotheek, het clubhuis of het wijkgebouw. Er kwamen mensen vragen of ze Zumbadans konden geven of met de knutselclub terecht konden of wat dan ook. Daar hebben we allemaal ‘nee’ tegen gezegd. Het is wel een Leeszaal, en dat willen we wel breed nemen, maar niet zo breed dat het een clubhuis wordt.’

 

Het is meer dan een plaats in de wijk.

‘Het is de Leeszaal Rotterdam West, niet de Leeszaal Rotterdam Oude Westen. Het is belangrijk dat deze híer is; ruim de helft van de vrijwilligers woont vlakbij, ikzelf ook. Zeker als het gaat om de culturele programma’s, en die trekken vooral ook mensen van buiten West. Die combinatie is belangrijk en dat maakt het ook leuker voor de mensen die hier werken.’

Leeszaal-Weesbeeld.nl

Heeft iedere vrijwilliger ook een eigen rol?

‘We hebben een basistaak en dat is gastvrouw/-heer zijn. We zijn veel open: 44 uur per week; dat heb je wel nodig in een publieke ruimte als deze. Mensen moeten niet op hun horloge hoeven kijken van ‘oh, nu moeten we alweer gaan’. Naast de rol als gastvrouw/-heer doet ieder ook zijn eigen ding; men werkt in een club aan een programma, of men is met de collectie bezig, het hangt ervan af wat de mensen willen en kunnen.’

 

Het is een mooie ochtend: twee medewerkers dragen een enorm vloerkleed naar buiten, draperen het over een bankje en kloppen met veel kabaal het laatste leven eruit.

Zorgen voor een beeld.

Ze wijst naar buiten: ‘Daar staat er één. Ik kan me voorstellen dat je niet 1-2-3 weet hoe je voor zo’n beeld kunt zorgen. En hou er rekening mee: sommige plekken zijn er ook niet geschikt voor. Hier buiten hebben ooit drie banken gestaan en daar zijn er twee van gejat. Maar als je samen gaat kijken hoe je dat pleintje kan gaan vormgeven en je mensen op ideeën brengt hoe een geplaatst beeld mooi kan zijn, dan misschien wel.

Neem als voorbeeld het aanleggen van tuinen een paar straten verderop. Om dit te kunnen realiseren moesten we eerst alle portieken af en per portiek twee mensen vinden die links en rechts een tuintje van een portiek wilden bijhouden. En dat in een straat waar dat al 30 jaar niet was gebeurd. Wat dan werkt is het maken van een impressie. Dan kan je laten zien hoe mooi het kan worden; dat is de manier waarop je mensen mee krijgt.

Niet iedereen hoeft mee te doen, absoluut niet. Maar je moet wel zorgen dat het niet een te beperkt groepje wordt van hetzelfde soort mensen dat er aan begint. Van belang is dat er een paar mensen zijn die oog hebben voor hoe het gaat en die aandacht aan de rest besteden, die zien: dit loopt niet meer zo goed of hier wordt over geklaagd. Diversiteit is belangrijk. Anders herkent niemand zich in zijn rol.

Net als het toelaten van nieuwe ideeën. Als mensen zeggen: dit hebben we toen zo bedacht, maar misschien is zus wel leuker, dan kunnen we het ook zo gaan doen.

En sommige mensen kunnen afvallen: als mensen gaan werken, gaan verhuizen. Maar omdat het een mooie plek is komen er ook altijd wel mensen bij. Je moet er ook niet van uitgaan dat mensen dit voor de eeuwigheid doen.’

Joke staat even op om de oudste vrijwilliger te verwelkomen die net terug is uit het ziekenhuis.

 

Vrijwilligerswerk wordt verplicht. In het huidige participatiebeleid gaat het niet meer om ‘onbenutte kwaliteiten’, maar om ‘maatschappelijke inspanning’, om het leveren van een ‘tegenprestatie’ voor het ontvangen van een (bijstands)uitkering. […]

De bureaus en functionarissen waar de Leeszaal mee te maken heeft, hebben namen als ‘Gek Op Werk’, ‘krachtcoach’, ‘Kans-Rijk’, en ‘powercoaching’. Mooie woorden, maar het met de overheid afgesproken bedrijfsresultaat is het aantal uitkeringsgerechtigden met een vrijwilligerscontract. Niet minder, maar ook niet meer.[…]
Belangrijker is dat politici en beleidsmakers gaan begrijpen hoe dit ‘activeringsbeleid’ uitpakt voor vrijwilligersorganisaties. Dus hoe het ene onderdeel van het participatiebeleid (‘tegenprestatie’) het andere onderdeel van het participatiebeleid (‘burgerkracht’) in de weg zit. Door de manier waarop de uitvoering van het verplichte vrijwilligerswerk wordt aangestuurd c.q. gefinancierd, maar ook door de simplistische botsende mensbeelden (uitvreters/achteroverleuners – verantwoordelijke burgers) waarop dit beleid gebaseerd is.[1]

Zijn er ook mensen vanuit de bijstand die hier participeren?

'Het zogeheten verplichte vrijwilligerswerk, ja, die heb je ook en het zijn twee soorten: mensen die hier al meewerkten en op een bepaald moment komen vragen: ‘Wil je een contract voor me maken want de sociale dienst krijgt me in de gaten. En mensen die hier nieuw komen omdàt de sociale dienst achter ze aan zit. Soms weet ik dat niet en kom ik er later achter dat dat een belangrijke reden is. Die eerste categorie is natuurlijk geen probleem, want die mensen waren er al.

Het probleem is: de sociale dienst zegt dat je moet participeren en integreren: dat je gaat solliciteren en van alles doet om te zorgen dat je aan werk komt, en dat je dan moet ophouden met vrijwilligerswerk. We zijn dus ook wel vrijwilligers kwijt geraakt hierdoor. En dan zijn er nog allemaal bureautjes die worden ingehuurd om mensen aan vrijwilligerswerk te helpen; mensen komen onder een bepaalde productiedruk te staan. Op een bepaald moment kwamen mensen hier die niet eens wisten wat de Leeszaal precies is. Ik was gewend om tegen iedere vrijwilliger ‘ja’ te zeggen, maar het initiatief komt dan niet meer uit de mens zelf. Maar ze willen misschien wel iets doen hoor.’

 

Wat vind je van de participatiewet?

‘Verplicht vrijwilligerswerk: het hangt er een beetje vanaf. Ik vind het op zich niet verkeerd dat als mensen lang in de bijstand zitten, daar eens naar gekeken wordt. Bijstand blijft toch een vangnet. En het is geen basisinkomen. Zodra we een basisinkomen zouden hebben is het weer anders. Je moet op een bepaald moment toch iets; dan denk ik dat het wel nuttig is om vrijwilligerswerk te doen. Dat merk je aan sommige mensen ook, die zijn niet meer gewend om te plannen, enzovoort. Zelfs niet voor die 2 à 3 uur om te werken. Die beschouwen zichzelf als een verzameling ziektes of kwalen; er is altijd wel een reden om niet te komen. Maar we hebben afgesproken dat we dit gaan doen: ik reken gewoon op je.’

 

Kinderen komen vragen of iets gratis is: ‘Ja die mag je meenemen, weet je wat dat zijn? Ja, dat zijn vliegers.’

 

Gaat de veelheid aan vrijwilligerswerk betaalde banen in de weg zitten?

‘Nee, dat is niet helemaal waar; de bibliotheek was al gesloten, net als buurthuizen. Dan kun je natuurlijk zeggen: dat moet eigenlijk allemaal betaald werk zijn. En tegelijkertijd denk ik: er wordt ook gezegd dat wij niks doen. Daar maak ik vooral bezwaar tegen. Dat men doet alsof Nederland een soort van verwend volk is, dat alles maar aan de overheid overlaat, zelfs de zorg voor eigen ouders. Dat klopt helemaal niet. Nederland is kampioen vrijwilligerswerk.

Los daarvan staan mensen in de bijstand; je ziet het gewoon gebeuren: jonge vrouwen met weinig diploma’s krijgen een kind. Ik denk dat als je niet snel achter ze aan gaat zitten ze hun hele leven in de bijstand. Jarenlang zonder enig perspectief, dat zou je toch ook niet moeten willen? Wat kan je nog? Je hoeft toch niet je hele leven op dit punt te blijven staan? Daar vind ik wel iets voor te zeggen.’

 

Hoe zie je de maatschappelijke ontwikkeling in de toekomst? Automatisering, robotisering, basisinkomen?

‘Ik denk dat er wel banen zullen verdwijnen. Maar sommige dingen zullen ook blijven. De hele robotisering in de zorg, dat zie ik niet voor me, eerlijk gezegd. Misschien wel bepaalde dingen, maar juist in de dienstverlening is het menselijke aspect belangrijk, dat is mensenwerk.

Dat er allerlei productiedingen nog meer gerobotiseerd worden, dat geloof ik wel: mijn zus werkt op een accountant-achtig bedrijf, die zegt: ‘Waar ik vroeger weken mee bezig was, gaat nu met één druk op de knop.‘ Er is niks meer te doen, verschrikkelijk, die vreest echt voor haar baan. En er zijn er al een heleboel verdwenen.

Maar goed, er blijven altijd dingen die je niet kunt automatiseren. En het is op zich ook niet erg als er minder werk is. Alleen ik zou het wel prettig vinden als het dan anders verdeeld zou worden. Dat we niet 40 of 38 uur zouden blijven werken, maar naar een 25-urige werkweek gaan. Basisinkomen, daar kom ik nooit zo goed uit, moet ik zeggen. Want daar zijn zoveel verschillende varianten in. Je hebt basisinkomens in bepaalde landen, maar daar kun je niet echt van leven, dus dan zal je toch moeten blijven werken. Maar dat wordt een technische discussie, ik denk voorlopig meer aan een betere verdeling van de werkweek, een kortere werkweek.’

Het voortbestaan van de Leeszaal is gebaseerd op het principe van halen en brengen. Dat zit in de totstandkoming en het gebruik van de collectie, in de inrichting en het onderhoud van de spullen, in de programmering en in de spontane uitwisselingen tussen vrijwilligers onderling en tussen vrijwilligers en bezoekers. Het zit ook in de manier waarop de vrijwilligers ‘betaald’ worden. De Leeszaal betaalt niet in geld, maar in concrete hulp bij de realisering van ontwikkelingswensen. Dat organiseren we door matching van vrijwilligers, in de praktijk gebeurt dat voor een deel al spontaan en er is budget gereserveerd voor het inhuren van externe vakmensen. [1]

 

Zou het ruilmodel van de Leeszaal ook voor bijvoorbeeld een artotheek kunnen gelden? Ruilen en terug brengen van kunst?

‘Ja, ik denk het wel, waarom niet. Er hangt bij iedereen wel iets aan de muur. En wat kunstwerken betreft: je hebt natuurlijk zeer geliefde kunstwerken. Zoals bijvoorbeeld in hier het wijkpark: de Reus van Rotterdam is een heel populair kunstwerk. En daar iets verderop staat het kunstwerk ‘Elevazione’ van Guiseppe Penone. Dat kunstwerk is daar neergezet vanwege een gestorven Turkse opbouwwerker die geliefd was hier, dat is ook iets wat mensen weten. Het hangt er ook vanaf hoe eenieder in elkaar zit. Want waarom is de Reus van Rotterdam zo populair? Iedereen gaat er bij staan en probeert die schoenen. Op een bepaald moment stonden er vier verschillende schoenen en wat slofjes naast.’

 

Welke toekomstvisie heb je voor de Leeszaal? Zou het groter moeten worden dan dat het is? Zou je het principe op andere organisaties willen toepassen?

‘We zijn hier begonnen; het is eigenlijk een onderzoek. Wat wij interessant vinden, Maurice en ik, is hoe je met mensen dingen kunt ontwikkelen die iets te maken hebben met de kwaliteit van hun omgeving en hoe mensen met elkaar samenleven etc. Hoe je dat zelf kunt doen. Als je minder afhankelijk bent van wat andere mensen voor je bedenken of wat de staat voor je bedenkt. In zekere zin hebben we een beetje de tijd mee. Dat vindt de overheid nu ook eigenlijk. Aan de andere kant: als de overheid het vindt, hebben ze tegelijkertijd ook hele strakke richtlijnen in hoe dat dan zou moeten. En daar kunnen we ons niet in vinden. Daarom willen we ook geen geld van de gemeente. Dan zoeken we liever andere wegen voor financiering. Dat maakt het leven leuk. Je eigen omgeving creëren.’

 

 

[1] De praktijk van ‘vrijwilligerswerk’ en participeren in de bijstand wordt – naast nog veel meer informatie over zelforganisaties en menselijke interactie – uitgebreid beschreven in De Uitvinding van de Leeszaal. Dit boek van Maurice Specht en Joke van der Zwaard is te verkrijgen bij alle boekhandels of via de bekende kanalen. Het boek is ook rechtstreeks te bestellen bij de uitgever Trancity

 

 

 


facebooktwitterfacebooktwitter

Weesbeeld.nl